Wat is een slagwerkgroep?

Slagwerkgroepen komen voort uit drumbands en tamboerkorpsen. De drumband is een typisch Nederlands fenomeen. Na de Tweede Wereldoorlog zijn deze korpsen in grote getale gevormd naar het voorbeeld van de drum- en showbands van de geallieerden. Al snel hadden de bands hun plaats in de wereld van de blaasmuziek gevonden en zorgden zij samen met de harmonie-, fanfare- en brassbandkorpsen voor de muzikale omlijsting van optochten en evenementen in de openlucht.

Traditionele drumbands
Zo rond 1950 namen de slagwerkers van harmonie-, fanfare- en brassbandorkesten het initiatief zelf een groep te vormen. Met 3 of 4 tamboers werd er op straat tussen de marsen van de blazers doorgeslagen. Zo ontstonden van lieverlee de eerste drumbands, die op koninginnedag en andere dorpsfeesten voor de blaasmuzikanten uitmarcheerden. Traditionele drumbands of tamboerkorpsen bestonden uit scherpe en doffe trommen, tenortrommen en een grote trom. De tamboerkorpsen gingen naar marswedstrijden en deden hier meestal afzonderlijk van de blaasorkesten aan mee.

Lyrakorpsen / Malletband                                                                                                                                                                                                                                                          Eind jaren zestig, begin zeventig ontstonden ook de eerste lyrakorpsen. Oorspronkelijk werd de lyra vooral binnen militaire bands gebruikt, maar later ook bij burger muziekkorpsen die dit instrument introduceerden binnen de drumband. Melodisch was men beperkt maar door de lyra te vervangen door marching bells en later de marching xylofoon en marimba toe te voegen ontstonden er meer mogelijkheden. Deze Malletkorpsen waren zéér populair.

Ommekeer
Eind jaren ’90 kan worden gezien als een ommekeer in de drumbandwereld. Steeds meer harmonie-, fanfare- en brassbandorkesten zagen af van de straatoptredens, omdat ze liever op het podium speelden. Voor veel traditionele drumbands was dit een grote tegenslag. Doordat de blaasorkesten nog nauwelijks de straat op gingen, vielen voor de drumbands vele optredens weg. De tamboerkorpsen gingen door, maar hadden moeite stand te houden. Intussen kwam er in de drumbandsector een ontwikkeling op gang. Aan de basisinstrumenten scherpe, doffe, tenor en grote trom, was in de loop der jaren een heel scala van grote en kleine instrumenten toegevoegd. Componisten, instructeurs en slagwerkliefhebbers hadden namelijk niet stilgezeten. Uit andere landen hadden zij nieuwe instrumenten zoals bongo’s, conga’s, timbales, rototoms, a go go bells, samba-whistle, maracas, vibraslap, guiro en castagnetten naar Nederland gehaald. Deze instrumenten gaven niet alleen een andere klank, maar brachten ook andere ritmes met zich mee. Ook werden er voorzichtig melodische slagwerkinstrumenten aan de korpsen toegevoegd. Hierdoor werd het repertoire, dat voorheen enkel uit marsen bestond nog verder uitgebreid. Dat uitgebreide repertoire betekende een hoger amusementsgehalte. Drumbands konden het publiek in de zaal gaan vermaken.

Ook de enorm populaire malletkorpsen gingen over op ander repertoire en grotere melodische (concert) instrumenten zodat ook deze ensembles een enorme sprong voorwaarts maakten.

Percussie-ensembles 
Zo ontstonden eind jaren ’90 de huidige slagwerkgroepen en de zogenaamde (melodische) percussie-ensembles. Slagwerkorkesten die met verschillende instrumenten, melodieën, ritmes en muziekstukken een gevarieerd programma ten gehore konden brengen.